Wechi
Een oud gezegde luidt: Si nos no topa na Wechi,nos lo kontra na Souax: Zie ik je niet bij Wechi, dan tref ik je wel bij Souax. Oftewel: ik kom je hoe dan ook wel tegen. Wechi en Suax liggen tegenover elkaar aan het begin van de Weg naar Westpunt.
Vruchtbaar weidegrond
Wechi is, evenals diverse naburige plantages zoals Papaya , Grote- en Kleine Berg en Daniel, in de 18e eeuw afgesplitst van de enorme overheidsplantage Malpais. Ook na de afsplitsing werd Wechi nog vaak Klein Malpais genoemd.
Het stond eens bekend om haar uitgestrekte, vruchtbare groene weidegronden van ruim 133 hectare waar eens vele schapen, kabrieten, en ook koeien, paarden, hoenders, eenden en kalkoenen rondliepen. Een vrij uitgebreide veestapel. Wechi was echter geen rendabel plantagebedrijf was regelmatig belast met hypotheekschulden.
Wijt Timmer
De datum op de eerste koopbrief van Wechi is 11 juni 1762: dan koopt Frans Grootestam van Uytrecht de plantage op een veiling uit de nalatenschap van Wijt Timmer, een 18e eeuwse schipper, van wie verder alleen bekend is dat hij rond 1762 overleed en buiten gemeenschap van goederen was getrouwd met Margaritha de Vijlder. Timmer werd in 1748 ook eigenaar van plantage Daniël, dat evenals Wechi, nog lang (Klein) Malpais werd genoemd.
De basis van Wechi zoals we die nu kennen werd gelegd door Grotenstam die diverse belendende percelen kocht en tot één plantage samenvoegde, namelijk ‘Klijn Malpais, met privilegiën van schape en geyte coralen’.
Timmer’s naam verdrong langzamerhand echter de oorspronkelijke naam Klijn Malpias en steeds vaker verscheen de alias Weijdtie, Het Weijdje, Wijtje,Witchie, Weito, Weitje, Wechi, oftewel Rustplaats ervoor in de plaats.
Striddels
Na Grotenstam’s dood koopt de grootvader van zijn vrouw, Gerrard Striddels in 1783 de plantage op een openbare veiling.
Striddels was een zakenman die veel onroerend goed bezat, zoals het monumentale gebouw op Molenplein in Otrobanda waar eerst het politiebureau en thans Fundashon Prevenshon voor kankerpreventie is gevestigd. Verder bezat hij ook de plantages Pannekoek, San Juan, Malpais (alias Terbug a Texel) en Groot-en Klein Malpais (alias Mount Pleasant).
In 1783 kocht hij het Canoekje Rust Plaats ( later Rustplaats) dat aan Wechi grensde – van twee zakenlieden. Rustplaats was ‘een stuk gronds of canoekje gelegen tussen Groot Piscadera en Wechi, liggende rondom in zijne eigen trankeren met een vrije patrouilleweg’. Evenals bij Martha Koosje en een locatie te Baai Klaas tegenover Tera Kora, zou ook hier een ‘rustplaats’ (herberg) zijn geweest voor overnachting van reizigers van Banda bou naar de stad en vice versa. Vanaf 1783 bleef Rustplaats verbonden met Wechi en werden ze steeds gezamenlijk verkocht. En kreeg Wechi alweer een nieuwe alias: Rustplaats.
Bij Rustplaats, tegenwoordig het zuid-oostelijk deel van Wechi, hoorde ook een perceel waarvoor belasting moest worden betaald aan de WIC. In 1844 kreeg de eigenaar vrijstelling van betaling van deze belasting.
Compagnie’s put
Striddels verkoopt later al zijn bezittingen en Klein Malpais met Rustplaats wordt eigendom van Jan Teubner inclusief de ‘inventaris’: vier tot slaaf gemaakten, de mannen Fransje, Tapila en Fransisco en de vrouw Agatha en een uitgebreide veestapel bestaande uit koeien, kalkoenen, ezels, duiven evenals 205 schapen, 12 koeien, 4 ossen, en een stier. Niet inbegrepen bij zijn nieuw verworven bezit was de patrouilleweg tussen Malpais en Rustplaats en de compagnie’s put. Deze put, gelegen bij Wechi en ten oosten van de Weg naar Westpunt was eigendom van de West Indische Compagnie. In transportakten werd steeds uitdrukkelijk vermeld, dat deze niet bij het perceel Wechi was inbegrepen
Plantages ruilen
Na zijn overlijden ruilt Teubner’s zoon Johannes, Klein Malpais en Rustplaats (voor 6000 pesos) in tegen plantage Kas Chikitu (3000 pesos) met bijbetaling. De ‘inventaris’ bestond nu uit 12 tot slaaf gemaakten, 100 schapen, 150 kabrieten, 2 rijpaarden, 2 merries, 6 ezels, 50 hoenders en een partij duiven. De tegenpartij was Willem van der Dijs die hiermee een investering deed ten gunste van zijn minderjarige zoon Mathias Erasmus. Toen deze in 1812 meerderjarig werd verkocht hij Malpais en Rustplaats inclusief inboedel aan Christoph Godfried Friedrich Hooijer, een vakbekwame Duitse goudsmid , die door de overheid werd aangesteld als district meester. Wechi zou in totaal 2 eeuwen lang in handen van de familie Hooijer, alias ‘ Hoyer’, blijven.
Kalkbranden
In tegenstelling tot van der Dijs die Savonet later tot het meest rendabele plantagebedrijf op Curaçao wist te ontwikkelen, bleek Hoyer geen goede planter. De waterrijke plantage bracht weinig tot niets op en had hoge hypotheekschulden. In de droge jaren van 1833 en 1834 vroeg hij vergunning om kalk te branden om zijn personeel te eten te kunnen geven en schulden te betalen.
Met het branden van kalksteen werd kalkpoeder verkregen dat als bouwstof werd gebruikt. Hoyer was eerder al gedwongen de plantage Papaya, zijn huis in Otrobanda en diverse tot slaaf gemaakten te verkopen. Ook Wechi werd in 1840 verkocht met een enorme hypotheekschuld. De nieuwe eigenaren blijken twee van zijn dochters te zijn: Johanna Elizabeth en Charlotte Hoyer die de plantage voor fls 605,- kochten. Contant werd fls 205,- betaald, de rest op hypotheekkrediet. Johanna overleed kinderloos en haar aandeel werd verkocht aan haar schoonbroer, Richard Raven die dus getrouwd was met Charlotte. Ook hij was goudsmid en handelde verder in onroerend goed. Wechi was – na taxatie in 1862 fls 4500,- waard, werd toen slechts als buitenhuis gebruikt.
Koningsgrond
Een neef van Raven’s vrouw, de zakenman, Richard Joseph Hoyer wordt later eigenaar van de plantage. In 1895 koopt hij voor 51 gulden van het gouvernement een domeingrond, een zogenaamde ‘ Koningsgrond’ van 2 hectare, ten westen van de ‘savaan Segoe’, ten oosten van Wechi en ten noorden van het patrouille pad.
Met deze aankoop bereikt Wechi de uiteindelijke grootte van 133 hectare. En bestaat het sinds de afscheiding van Malpais uit twee kleinere plantages (Klein Malpais en Rustplaats) en 2 stukken overheidsgrond.
Dammen en putten
Wechi is bijzonder waterrijk en er werden veel dammen gebouwd om het regenwater tegen te houden en in de grond door te laten dringen. Achter de dammen bevonden zich vele putten en in verband hiermee werden in 1915 proefvelden aangelegd voor een agrarisch project. De resultaten bleken echter niet bevredigend.
De laatste eigenaar van Wechi voor wat betreft de familie Hoyer was Henry Beaujon, geboren in 1906 als oudste zoon van Jacob Anthon Beaujon en Marie Hoyer. Henry en zijn gezin woonden tijdens WO 2 in het landhuis, gebruikten het later als weekendhuis. Er stonden nog altijd koeien in de wei en een stier op stal en er waren later zelfs varkensstallen in de mangasina.
In 1991 werd Wechi weer verkocht aan de familie van der Dijs die het doorverkocht aan het toenmalige eilandgebied. Wechi kwam in 1993 in handen van Fundashon Kas Popular, FKP, voor de bouw van onder andere (hoogbouw) volkswoningen.
Landhuis
Het huidige landhuis, gelegen in het oostelijk deel van de vroegere plantage, is waarschijnlijk vroeg in de 19e eeuw gebouwd. Naar verluidt is dit het tweede landhuis: het eerste zou afgebrand zijn en gesloopt, waarna deze tweede werd gebouwd. Het is enkele jaren geleden gerestaureerd en prijkt nu op de monumentenlijst als beschermd erfgoed.
Landhuis Wechi staat op een heuveltje met daarnaast twee – eveneens gerestaureerde – gebouwtjes: een middelgroot magazijn en een kleinere ruimte waarin waarschijnlijk gereedschappen werden bewaard.
Achter het landhuis staat een meters-hoge waterreservoir ten behoeve van het huishouden. Van hieruit is er ook mooi uitzicht over Jan Doret, Groot Sint Michiel met landhuis en de heuvelrug van Boka Sami met de piramidevormige Sint Michielsberg, ook wel Seru Blandan genoemd.
Ten oosten van het landhuisje ligt het vroegere hofje met diverse fruitbomen, een waterbak en twee putten, waarvan één een pos di pia (inlopput).
Slavendorpje
Ten westen van het landhuisje ligt een vee-koraal en ook een mangasina waarvan de meeste muren nog fier overeind staan. Het is verdeeld in een groter gedeelte en een kleiner compartiment, waar waarschijnlijk zaden werden opgeslagen. Er zijn twee deuropeningen aan de noordzijde van de mangasina, één voor beide compartimenten.
Dichtbij de mangasina stonden nog lang de ruïnes van een dorpje waarvan een deel tot ver in de 20e eeuw nog bewoond werd. Aan de hand van de Werbatakaart uit 1911 en de GPS uit modernere tijden wist de Werkgroep Archeologie de fundamenten van minimaal 7 lemen slavenhuisjes op te sporen. Uitgaande van de Werbata kaart stonden hier echter nog 12 huisjes. Door onwetendheid of omdat deze verborgen lagen onder overvloedige begroeiing ter plekke, helaas weggevaagd door bulldozers bij overname door FKP.
Gelukkig is niet alles verloren gegaan: de werkgroep meldt verder in haar verslag dat boven de bulldozerlijn en nog intact op het heuveltje tussen het landhuis en de Weg naar Westpunt nog de fundamenten van vijf stenen huizen en vijf lemen hutten liggen. Hopelijk wordt deze ruïneheuvel behouden voor gedegen historisch- archeologisch onderzoek.
Onrust over Rustplaats
De werkgroep stuitte ook op fundamenten van een gebouw dat weleens het verdwenen landhuis Rustplaats zou kunnen zijn.
Rustplaats kwam in 2015 nog in de spotlights te staan tijdens een rechtszaak dat de familie Ferero (van het tegenoverliggende Suax en Gato) tegen de FKP had aangespannen. Volgens de eisers handelde FKP onrechtmatig door dit stuk terrein in haar verkavelingsplannen op te nemen omdat het aan de familie toebehoorde. Waarop diverse experts en de rechtbank de moeilijke taak kregen om aan de hand van sterk verouderde kaarten alsnog de precieze ligging en grootte van Rustplaats te Wechi uit te pluizen.