Ontstaansgeschiedenis bario’s

Water liep als een rode draad door het stichten van dorpen en plantages.

Ontstaansgeschiedenis bario’s

Hato: ‘veeplaats’ in het Spaans en ooit het paradepaardje van de WIC.

Ontstaansgeschiedenis bario’s Curaçao

De geboorte van Curaçao

Volgens de geologische ontwikkeling is Curaçao zo’n 100 miljoen jaren geleden ontstaan door vulkanische uitbarstingen en aardbevingen nabij de huidige Galapagos eilanden, voor de kust van Ecuador.

Hierdoor werd het Caribisch platform gevormd met diverse eilanden, waarvan Curaçao één van de oudste is. Door dit bewegend platform lag Curaçao eens in de monding van Rio Magdalena in Colombia, waardoor zand, modder en klei, die door de aardbevingen waren vrijgekomen uit de Andesgebergte, zich aan het vulkanisch gesteente hechtten.

Het sediment van Rio Magdalena, hier bekend als het Midden – Curaçao gesteente is nog duidelijk te zien in de omgeving van Rif Sint Marie. Curaçao lag steeds onder water en verscheen pas nabij de ingang van het huidige Panamakanaal aan de oppervlakte als twee eilandjes: Bandariba en Bandabou met tussen hen in nog steeds de zee. De eilandjes worden later aan elkaar verbonden door koraalriffen die zich ook rondom het eiland hadden vastgehecht (Kaska di Kòrsou).

Elementen der natuur vormden later de baaien van de eilanden die Antilha, (ante islas, de eilanden vóór) de kust van Zuid Amerika werden genoemd.

Land-en wateroppervlakte 

Curaçao ligt in de Caribische Zee, 75 kilometer voor de kust van Venezuela en heeft een oppervlakte van ongeveer 444 vierkante kilometer. Hiervan is 382 land- en de rest wateroppervlakte.

Het langste gedeelte het eiland loopt van Punta Cañon op Oostpunt tot Noordpunt (vlakbij Westpunt) en is 61 kilometer. De breedste gedeelten van Curaçao liggen tussen Willemstad en Playa Canoa wat Bandariba betreft en tussen Bartoolbaai en Santa Cruz op Bandabou, elk 12 kilometer breed.  Curaçao is op zijn smalst tussen de vlakte van Hato en Bullenbaai, namelijk 4 kilometer. 

De hoogste heuvels ten westen van het eiland zijn de Christoffelberg (372 m), Sint Hieronimus (229) Sint Anthonie (169) en de Veerisberg (131m). In het oosten zijn het de Tafelberg (193m), Ronde klip (129) en Seru Grandi (97m) naast Oost Seinpost (86 m). 

Curaçao heeft 39 baaien, waarvan Sint Annabaai de grootste is. De Sint Annabaai is tevens de grootste haven, gevolgd door Caracasbaai en op de derde plaats: Bullenbaai. Het Spaanse Water is na het Schottegat het tweede grootste binnenwater van Curaçao, gevolgd door Sint Joris en Santa Martha op respectievelijk de derde en vierde plaats.

Curaçao is intussen uitgegroeid tot een oppervlakte van ongeveer 444 vierkante kilometer, waarvan 382 land , de rest is wateroppervlakte. Het eiland is 60 kilometer lang, heeft 39 baaien en is omgeven door levend koraal dat zich nog constant uitbreidt. Hierdoor stijgt Curaçao steeds verder boven de zeespiegel en beweegt het zich langzaam maar zeker naar het oosten toe, richting Trinidad.

De naam Curaçao

Over de oorsprong bestaan diverse theorieën, zoals Corosol ( zuurzak) en Ilha da Cura (eiland der genezing). Spaanse kaartenmakers zouden het ‘curazon’ (hart) noemen, wat hetzelfde betekent als het Portugese Curaçao.
Maar volgens de historicus J. den Hartog namen Spanjaarden de naam over van de oorspronkelijke bewoners, de Caiquetios, die het eiland Cu rra ssow noemden. T. Vos schrijft in een ingezonden stuk dat deze naam mogelijk is afgeleid van de vogel die we vandaag kennen als Great Curassow (Crax rubra) die dezelfde indiaanse oorsprong heeft.

Oudste dorpen

Bij zeer recente opgravingen op de site Saliña Sint Marie blijkt dat Curaçao 5700 tot 5600 jaar geleden al bewoond werd door Archaïsche indianen uit Latijns-Amerika, 350 jaar eerder dan tot nu toe werd aangenomen. Eerdere archeologische vondsten van (Archaïsche) indianen dateren uit 4500 a 3800 jaar geleden en werden gevonden bij de Sint Michielsberg, Santa Barbara, Sint Joris en San Juan.

Curaçao werd tijdens de daaropvolgende keramische periode -ongeveer 1500 jaar geleden, bewoond door een tweede groep indianen, de Arowaken die ook uit Venezuela kwamen. Zij woonden op vruchtbare landbouwgronden langs valleien, baaien en rooien (waterloop, bedding) en waterbronnen zoals de Savaan, Piscadera en Roi Rincon en leefden van landbouw en visserij. Ook stichtten zij een dorpje dichtbij het huidige landhuis van Klein Santa Martha, vlakbij de grote rooi van Rio Magdalena. Via het rooienstelsel was dit dorpje verbonden met andere dorpjes rondom naburige binnenbaaien zoals Knip, Santa Cruz, San Juan en later ook San Hironimo.
Van oudsher stond ook Ascencion bekend als een oud indiaans dorp evenals die aan de Bartoolse kust te Wacao, Hato en aan de Sint Jorisbaai. Bovengenoemde indiaanse nederzettingen zijn de eerste woonkernen en aldus de oudste dorpen op Curaçao.

Spaanse periode

Water liep als een rode draad bij het stichten van deze dorpen en ook de latere plantages zijn voor zover mogelijk bij waterbronnen gebouwd.

In 1499 kwamen de Spanjaarden voor het eerst aan op Curaçao en bleef het tot 1634 onder Spaans beheer. Rond 1526 werden de indianendorpen verder uitgebreid. De Spanjaarden introduceerden ook de RK heilige namen voor deze indiaanse wooncentra, landmarken, (Sierra de Santo Cristoval voor Christoffelberg), de haven en de grote baaien. De plantages die later door Nederlanders aan deze baaien zijn aangelegd, zoals Groot en Klein Sint Michiel, Santa Martha en Santa Cruz werden naar de baai vernoemd. Uitzonderingen hierop zijn o.a. Santa Catharina, Sint Jacob, San Sebastian en San Heronimo, die niet aan een baai liggen.

Ook uit de Spaanse tijd dateren de namen Asiento (=vergunning voor verhandelen van tot slaaf gemaakten) en Hato (= veeplaats), en Ascencion (= hemelvaart) , alias Pueblo de la madre de Dios de la Ascuncion, een verdwenen indiaans dorpje van vóór de Spaanse periode. Bij de Spaanse verovering werden de indianen door de bezetters en gekerstend, bouwden zij te Santa Barbara en Ascencion de eerste kapelletjes op het eiland en kregen de indianen zelfs een eigen pastoor.

Chinchó

Langzaam maar zeker maakten indiaanse namen plaats voor Spaanse: Maniguacoa werd Pescadero ( Piscaderabaai) de Fuikbaai heette Boca de Moros, de Caracasbaai Sardineron. En Cariatavo ligt vermoedelijk nabij het huidige Marie Pampoen. Andere indiaanse namen als Choloma en Chobolobo hebben de vertaalslag wel overleefd. Evenals Chinchó: een primitieve nederzetting met vruchtentuintje aan de noordkust, dat door indianen en later de Spanjaarden Chinchorro of San Jorge genoemd. Het is door de Nederlandse bezetters naar Sint Joris vertaald, maar heet in de volksmond nog steeds Chinchó.

Behalve Sint Joris zijn heilige namen wel vertaald maar nooit veranderd. Zo spreken we na 5 eeuwen nog steeds over Sint Anabaai, San Pedro, Santa Cruz en ook Santa Barbara dat tijdens de Spaanse periode het bestuurscentrum van het eiland was.

Nederlandse periode

In 1634 werd Curaçao in opdracht van de WIC, de West Indische Compagnie, veroverd. In 1635 werd de hoofdstad ontwikkeld en was het al volgebouwd tegen het eind van de 17e eeuw. Om die reden werd rond 1700 Otrobanda ontwikkeld en ontstonden bij Punda buitenwijken als Scharloo, Fleur de Marie en Pietermaai.

Met de komst van de WIC bloeide de slavenhandel en stichtte de WIC plantages om te voorzien in voedsel voor de tot slaaf gemaakten die verkocht zouden worden.

Deze WIC plantages lagen te Rooi Canarie, Rif Sint Marie, Sint Michiel , Malpais , Sint Joris, Noordkant en Hato. Ze werden later verhuurd en rond 1800 tenslotte verkocht aan particulieren. Na 1650 werd het ook mogelijk om particuliere plantages te stichten door ‘staatsgronden aan vrije lieden’ ( militairen en zeelui) uit te geven. Zo ontstonden op den duur de 96 plantages met landhuizen in de buitendistricten Bandabou en Bandariba.

Tijdens de 18e eeuw ontwikkelden zich bario’s rondom deze plantages, zoals Ascencion, Jan Kok, Dokterstuin, Groot en Klein Sta Martha, Pannekoek, Kenepa, Savonet, Leliënberg, Wacao, Sta Cruz, Sint Willibrordus op Bandabou en op Banda riba bij Santa Barbara en Damascus (Jan Thiel).

Verder ontstonden er ook nieuwe bario’s uit bestaande plantages: Soto na afschaffing van de slavernij ontstaan door voormalige arbeiders van Groot- en Klein Santa Martha.

Parochies

In 1824 arriveert de priester en latere bisschop Martinus Johannes Niewindt op Curaçao. Als hoofd van de katholieke kerk ontwikkelde hij rond 1840 op strategische wijze een netwerk van kerkelijke parochies die later tot kerkdorpen zouden uitgroeien, zoals Barber, Westpunt en Sint Willibrordus op Bandabou, Santa Maria en Pietermaai in centraal Curaçao en Santa Rosa en Montaña op Bandariba. Na de afschaffing ven de slavernij nam de invloed van de katholieke kerk toe en bepaalden parochies voortaan de grenzen van de wijken.

Naast de kerkdorpen verrezen ook woongemeenschappen van vrije lieden, voornamelijk landbouwers en vissers zonder een duidelijk dorpscentrum, zoals op Westpunt, Lagún, San Pedro en ook Sint Michiel waar medio 19 e eeuw een vissersdorp ontstond rondom het fort dat daar was gebouwd.

Shell

Met de komst van de olieraffinaderij in 1915 kwam de wijkontwikkeling in een stroomversnelling terecht. De vroegere plantages Valentijn, Asiento, Heintje Kool, Bleinheim, Rozentak, Rust en Burgh en Marchena moesten plaatsmaken voor vestiging van de raffinaderij die op haar beurt nieuwe ‘oliedorpen’ bouwde voor de huisvesting van haar employees zoals Emmastad (Valentijn, Asiento en Negropont) , Rust en burg, een deel van Groot Kwartier, Rio Canario, Biesheuvel , Cas Corá, Julianadorp en Schelpwijk.

Shell bracht ook een migrantenstroom van arbeiders uit vooral Brits-Westindië, Bonaire, de bovenwinden, Portugal, Venezuela en Suriname op gang waardoor de bevolking van 32.000 in 1923 tot 67.000 personen toenam in 1940. Met uitzondering van de Brits West Indiërs werden deze arbeiders in gescheiden woonkernen ondergebracht, zoals het barakkenkamp voor Portugezen te Suffisant en voor Surinamers bij Heintje Kool. De barakken werden later vervangen door arbeiderswoningen in Suffisant en het vroegere Surinamedorp.

Nabij de raffinaderij kochten of huurden mensen uit de buitenwijken en ook gastarbeiders een stuk grond en zo ontstonden er in snel tempo en zonder enig infrastructuur, concentraties van armoedige arbeiderswoningen op Dòmi , Marchena, Wishi, Santa Helena, Roozendaal , Bivac, Julian, Buena Vista, Kanga, Dein, Noorwegen , Rio Canario en Suffisant.

Aan de Punda kant raakten Scharloo, Pietermaai en Fleur de Marie overbevolkt en was er een constante uitbreiding oostwaarts met nieuwe bario’s, zoals Sint Jago, Coronet, Monteverde, Nieuw Nederland, Marie Pompoen , Shèrasil en Berg Altena ( Ser’i Pietermaai). Naast de raffinaderij was er ook meer werkgelegenheid door toename van bedrijvigheid in de haven en in Punda.

Volkswoningen

Door asfaltering van wegen en overbevolking in de stad en naburige wijken, kwam de trek naar buitengebieden meer op gang en trokken welgestelden uit de stad naar woonwijken zoals Zeelandia, Damacor, van Engelen, Cas Cora en Mahaai. Bovendien werden er in buurten als Buena vista, Santa Maria en Mahuma ook terreinen in erfpacht verstrekt.

Tussen 1929 en 1949 bouwden de overheid en particuliere organisaties middenstandwoningen op Mundo Nobo. Door de overheid gesubsidieerde woningbouwverenigingen zoals de Curacaose RK Volksbond bouwde huizen in Otrobanda, aan de Oranjestraat, de Volksbond, beter bekend als ‘den Bònt’ en te Mundo Nobo.

Rond 1947 werden de eerste volkswoningen, (kas di gobièrnu) gebouwd in Dominguito , Parera, Steenrijk en Marie Pampún. Begin jaren zestig stond Brievengat model als het eerste grootschalige volkswoningbouwproject en daarna ontstonden volkswoningwijken zoals Seru Papaya, Kustbatterij, Tera Kora, Koraal Specht, Jan Dorèt, Ser’i Dòmi, Muizenberg, De Savaan, Stenen Koraal, Montaña Abou, Sint Jacob, Jongbloed en Klein Sint Michiel.

Tussen 1960 en 1980 ontwikkelden zich ook diverse particuliere verkavelingsplannen met zelfbouwwijken, zoals Roi Catochi, Cas Grandi, Bottelier, Girouette, Jan Sofat, Muizenberg, Jan Thiel, Romar, Matancia, Jongbloed, Harbour View, Sunvalley, Lagunisol Sapaté. Het was ook de tijd waar illegale wijken zoals Julian, Ser’i Kandela en Souax verder uitgroeiden.

De nederzettingen der Caiquetios,de ligging van diverse plantages met eventuele landhuizen, de komst van Monseigneur Niewindt en de Shell en daarna de overheid en particuliere huizenbouw zijn aldus achtereenvolgens bepalend geweest voor het ontstaan van de diverse bario’s op Curaçao.

Naamgeving

Tot in de 18 e eeuw bleef het gebruik bestaan om plantages naar een eigenaar te vernoemen zoals Philip Webb voor de plantage en latere bario Flip, Pannekoek naar Gerrit Pannekoek, Barber van Barbara Eksteen , Blauw dat aangelegd werd door Anno Blauw, Jongbloed naar de schipper en oud eigenaar Jan Jongbloed, Daniël naar Daniël Ellis, Hamber naar Baas Hamer, Jantiel naar Jan Thielen en Kooral Specht naar Jan Hendrik Specht.

Plantage Parera was eens van Elias Pereira en Raphaël Alvares Correa was eind 18 e eeuw eigenaar van de plantage die officieel Klein Piscadera heette, maar Raphaël werd genoemd. De plantage ernaast, Veeris behoorde aan Abraham Veeris en Valentijn Pronken was eens eigenaar van plantage Valentijn terwijl ook Salsbach en Gosie vernoemd zijn naar grond- eigenaars. Hermanus Stork was eigenaar van plantage Oud Sint Marie, maar die heet nu… jawel:Hermanus!

Opvallend was de voorkeur voor abstracte, vreedzame en romantische namen, zoals Paradijs, Nooitgedacht, Zorgvlied, Blije Rust (Blauw) de Gerust(i)gheid (Cas Chikitu), Granatenberg (Jandoret), Stadsrust (Saliña Ariba) Goedgezicht ( Buena vista), Buitenrust (Sapateer) Vrede ( Klein kwartier) Vreeland (Gaito), Genoegen is ‘t al (Saliña Abou) Goed begin (Janwe) en Zeegening (Stenen koraal)voor Curaçaose plantages. Af en toe kwamen ook mindere opbeurende namen voor, zoals ‘ de Eenzaamheid’, ‘Hel’ en ‘Vagevuur’.

Verbasterd

Nederlandse namen werden verbasterd in het Papiamentu – zoals Punda al in de 17 eeuw gold voor ‘de Punt’ : het uiteinde van de smalle landengte bij de haveningang en één van de vele koraalriffen voor de kust. Daniel werd Dain.

Andere werden vertaald, zoals Poos Spanjo voor Spaanse put of vertaald en verbasterd zoals Shete seru of Sherisé voor Zevenbergen, Skèrpènè voor Scherpenheuvel., Kraké voor Krakeel bij San Pedro, Kènchisèlf voor Kent u zelf, Briá voor Brievengat, Manikeipu bij Julianadorp, afgeleid van de landbouwer Herman Kuiper, Langulé voor Lang leven bij Montagne) en Wadufredu (Weltevreden ) bij Mahuma. Of soms ook geheel verdrongen: Cas Corá ( was Vredenberg) Cas Chikitu (was Gerustigheid), Cas Grandi ( was Nijdrust) Montaña Ariba (was Vaersche put) en Pos Cabai ( was Suickertuin).

Franse en Engelse namen

En waar komen de Franse namen zoals Sans Soucis, Mon Repos, Sufisant (Sufficient en Ma Retraite (Gasparitu) vandaan? Volgens de historicus Pater Nooyen kwamen rond 1750 diverse Franse immigranten naar Curaçao, en ook hun namen zijn verbonden aan gronden op Curaçao, zoals Dominique Cori, eigenaar van een kleine plantage bij Rooi Catootje en wiens naam nog voortleeft in de Corrieweg.

De Franse zakenman Elias Courtin kocht van de overheid de toen enorme mondi achter zijn huis en pakhuis in de Breedestraat van Otrobanda, tegenwoordig bekend als Kortijn. Tegelijk met Courtin kocht ook een zekere Abraham de Motet een belendend perceel, weten we meteen ook hoe de Motetwerf aan haar naam komt. Plantage Girouette is vernoemd naar de vroegere eigenaar Pierre Surhouet en Zjaro was van de Franse zakenman Joseph Jarreau , die rond 1747 op Curaçao neerstreek.

Curaçao werd voor korte tijd ook bestuurd door Engelse bewindvoerders en wel vanuit The Pen, het tegenwoordig Avila Beach Resort aan …de Penstraat! De Engelsen gaven in 1814 toestemming aan de eigenaar van plantage Papaya te Westpunt, om ‘‘ a herd of horned cattle and a flock of sheep” te houden. Papaya heette toen Fourth (of) July, maar stond ook wel bekend als Papayatuin of Wel te Vrede.

What’s in a name

Papaya was slechts een van de vele plantages op Curaçao die Weltevreden heetten. Volgens Els Langenfeld was de verwarring met namen van plantages en kleinere landbouwpercelen groot: zo bestaan er twee plantages die Bijgelegen heetten, twee Sint Jorissen , drie met de naam Carpata, drie die Welgelegen heetten, drie Eendrachten , drie Esperanza’s , viermaal Nooitgedagt en viermaal Vergenoeging. De namen Rust en Vreede en Buena Vista kwamen elk zes maal voort en Vredenberg spant de kroon met maar liefst zeven plantages met die naam.

Vaak bleven afgesplitste plantages nog lang de oorspronkelijke naam dragen: De uitgestrekte plantage Malpais, eigendom van de West Indische Compagnie werd eind 18e eeuw verdeeld in particuliere plantages zoals Weitje, Papaya. Meiberg, Grote- en Kleine Berg, Groot- en Klein Malpais (alias Mount Pleasant en later weer Malpais), Daniël en Siberie. Ondanks de verdeling werd Daniël nog vaak als Malpais aangeduid en werden zowel Papaya als Weitje Klein Malpais genoemd.

Om tot een oplossing te komen werd soms een alias of vermelding van de dichtstbijzijnde wijk toegevoegd, zoals bijvoorbeeld: Bona Vista bij Patrick. En om de drie plantages te Brakkeput beter te onderscheiden werd de omschrijving Brakkeput Ariba, Brakkeput Mei mei en Brakkeput Abou gehanteerd.

Ook kregen afgesplitste delen van de plantage soms het voorvoegsel ‘Klein’, zoals in Klein Sint Michiel, Klein Piscadera ,Klein Sint Joris en Klein Davelaar. De plantage Santa Martha werd opgedeeld in de plantages Groot Santa Martha, Klein Santa Martha en San Nicolas.

Soms was een nieuwe naam ook bedoeld om verwarring te voorkomen:Juriaan Crisson kocht in 1781 de plantage Vredenberg, maar noemde het Mount Vernon om verwarring te voorkomen met een buurtplantage dat toen ook Vredenberg heette ( Cas Cora).De naam Mount Vernon hield geen stand: het werd en bleef van Engelen nadat Willibrord van Engelen, een voormalige directeur van Curaçao daar had gewoond. Aan de andere kant bleef de plantage Engelenberg dat van Engelen op Banda bou had gesticht in de volksmond hardnekkig bekend als Cas Abou.

Om meer verwarring en administratieve vergissingen te voorkomen besloot de koloniale raad in 1839 dat naamsverandering van plantages en tuinen slechts mocht geschieden na voorafgaande toestemming van het gouvernement.

Indiaanse grondeigenaars

Opmerkelijk zijn indiaanse namen die eeuwenlang zijn blijven bestaan, zonder alias, zoals San Heronimo naar de indiaanse eigenaar van de gelijknamige plantage nabij Wacao, Jeronimo. Evenals de indiaan Sebastian, eigenaar van het landgoed nabij Jan Kok en de indiaanse cacique, – oppperhoofd- Don Bartolo naar wie de Bartoolbaai , Bartoolse kust en Seru Bartool genoemd zijn. Zowel Bartolo als Sylvester een indiaanse eigenaar van de gelijknamige kunuku, woonden op Wacao.

De indianen van Wacao en de buurtwijk Seru Bientu gebruikten de tegenwoordige wijk Matancia bij Barber om vee te slachten, net zoals Matancia nabij de Snipweg gebruikt werd door indianen uit de nabijgelegen Rancho en Rooi Indjan te Groot Kwartier. Schelpwijk dat aan Rancho grenst, werd ook bewoond door indianen en schelpdieren waren hun hoofdgerecht, maar de naam verwijst waarschijnlijk naar de logo van de Shell die hier personeelswoningen liet bouwen.

Verder dateren namen als Choloma, Chinchorro, Chango en waarschijnlijk ook Chobolobo nog uit de indiaanse tijd.

Hato

Maar ook voormalige tot slaaf gemaakten en eenvoudige vrijgekochte lieden hebben hun namen in onze wijkgeschiedenis achtergelaten: de ‘vrije negerinnen’ Maria en Luisa Girindongo bezaten elk een perceel grond ten oosten van plantage Bonam,het huidige Kirindongo. Andere namen zijn Ma Louisa ( bij Santa Rosa), Basinto (bij Veeris), Marie Pampun, Vader Sijntje bij Corrieweg en Santa Teresa.

Bij de gouvernementsplantage en buitenhuis der gouverneurs, Hato werkten arbeiders die bijna allen 60 plusssers waren. Arbeiders op overheidsplantages liepen eerder kans een vrijbrief te krijgen dan die van particuliere plantages. Daarbij kreeg men vaak ook een flink stuk overheidsgrond mee als bonus ‘wegens trouwe dienst’. Zodoende zijn diverse wijken aan de Rooseveltweg – vroeger Weg naar Hato genoemd- en omgeving, naar ex tot slaaf gemaakten van Hato genoemd. Vanaf de rotonde bij Torenquest nabij Marchena richting Hato treft men onder andere aan: Luis Paula, Calabare, Juan Hato, Baas Gracie, Guanapa, Nanie, Gora, Jenefoe, Kanga en Juan Nota waarvan vele thans verkaveld zijn.

Grotere plantages, op dezelfde manier uit Hato onstaan, zijn Juan Domingo, (75 ha), gelegen achter Esperamos Supermarket en Seru Fortuna ( 150 ha) beide in 1731 geschonken aan respectievelijk Juan Domingo en Fransisco Beltran door een scheidende gouverneur.

Landen en beroepen

Afrikaanse plaatsnamen op Curaçao zijn onder andere Burundanga, Congo, Kanga, Zumbu en Mandinga. Plaatsnamen waarvan niet bekend is of het indiaans of afrikaans is, zijn Chango, Daaibooi en Parasasa.

In tegenstelling tot Bonaire kent Curaçao slechts enkele namen van landen of steden, zoals Caracas (in Pietermaai) ,Australiē (Wishi) Francia ( bij Cas Cora), Gibraltar ( aan de Weg naar Hato) en Congo ( Santa Rosa). Sommige plantage eigenaars noemden hun bezit naar hun geboorteplaats zoals Zeelandia, Amsterdam en Vianen.

Biesheuvel is genoemd naar de architect die de wijk heeft ontworpen en dokter Jan Bernagie woonde en praktiseerde tot 1699 op Dokterstuin, alias Klein Ascencion. Bottelier is vernoemd naar het beroep van Nicolaas Hansen, eens eigenaar van plantage Grote Tuyn bij Zuurzak.

En over Zuurzak gesproken: diverse wijknamen zijn ontleend aan bloemen, land of (tuinbouw) produkten, zoals Bloemhof, Lelienberg, Rio Magdalena ( Ri Malein), Suikertuintje en Kooral Tabak, zo genoemd vanwege een experiment met tabaksaanplant. Jan Sofat heeft echter niets met zout te maken: Eigenaar was Johannes Houtvat, dat verbasterd is tot Jan Zoutvat en Jan Sofat. Het was echter een vee plantage dat nooit zoutpannen heeft gehad.

Landmarks

Ook het landschap was een inspiratiebron voor namen die naar een heuvel, klip, rooi of put, verwijzen zoals Cabrietenberg (Barber), Rif, Ronde klip, Rooi Catootje, Berg Carmel( alias Parera ) Fontein, Kleine kloof (Pannekoek), Ligtenberg of Lugtenberg ( Mahuma) , Montaña, Mount Plesant, Oranjeberg (nabij Fuik), Pos Cabai , Spaanse Put en Zevenbergen (bij Lagun). Namen als Noordkant, Westpunt en Oostpunt verwijzen naar de geografische ligging van de wijk, evenals Porto Marie dat bij Rif Sint Marie ligt.

Bronnen

  • L. Daal: Het Antilliaans verhaal
  • L. Janga: Wijkontwikkeling op Curaçao
  • E. Langenfeld :Verhalen uit het verleden
  • E. Langenfeld: Herkomst van oude plaats -en straatnamen
  • E. Baetens en C.do Rego: Santa Martha Grandi
  • J.Ph. de Palm en G.A. Abbad: Encyclopedie van de Nederlandse Antillen
  • W.Renkema: Het Curaçaos plantagebedrijf in de 19e eeuw
  • M. A. Visman: Herkomst van onze streek- en plantagenamen
  • P. Brenneker – Sambumbu- diverse edities
  • A.Huijgens : Landhuizen van Curaçao
  • G.van Buurt en S. Joubert : Stemmen uit het verleden
  • Ministerie SOAW: Buurtprofiel Soto

Contact

Weet jij meer over jouw bario?

Heb je een aanvulling, een oude foto of een verhaal dat van generatie op generatie is doorgegeven? We horen graag van je!

Fundashon Famia, Núkleo di Bario

Generaalsweg 21
Curaçao

rais@rais.cw

Neem contact op